Welig tiert het onkruid

Het verval is overal en welig tiert het onkruid.

Die gedachte sloeg me keihard in het gezicht toen ik na een rusteloze nacht vroeg in de ochtend de koude badkamer in wankelde en nog slaapdronken moest vaststellen dat de afvoer van de wasbak alwéér verstopt zat en dat de wc-bril nog altijd uit zijn hengsels hing.

Alles gaat teloor, niks blijft eeuwig.

Het voelde alsof ik zelf ook helemaal verstopt zat en terzelfder tijd leek het of ik slechts als los zand aan elkaar hing. Neus dicht, hoofd verwaaid en de spieren stram. Ik wreef de nacht uit mijn ogen en trok mijn schouders op.

Vol leedvermaak keek mijn spiegelbeeld me licht grijnzend en zwaar grijzend recht in de ogen. Ook in de spiegel was het verval duidelijk zichtbaar. De tijd heelt alle wonden, maar laat ook zijn sporen na op lijf en leden. Iedereen wordt oud, niemand blijft eeuwig jong.

Ik zag de jongen in de spiegel denken: wie is die vreemde man? En ik zag de man vertwijfeld kijken naar de jongen die zich steeds dieper terug trok in een lichaam dat niet het zijne was. Is dit het dan? Is dit wat overblijft van wie ik ben?

Alles gaat kapot, niks blijft eeuwig. Daar is niks aan te doen en is geen kruid tegen opgewassen. Alleen het onkruid zelf, dat groeit altijd en overal.

Waar nu het onkruid welig tiert, was eens een fiere boerderij. Op de lap grond naast die van mij stond sinds jaar en dag een erf met woonhuis, schuur en koterijen. Een thuis voor zij die er ooit hun levens hebben geleefd, hun dagen hebben gesleten. Een huis met kolenkachel en waterput, Jezus aan de muur en Maria op de schouw. Met Metj en Mie en Mé in elk hun eigen zetel en in elk hun eigen leven. Met de kiekens in den hof, de muizen op de zolder en om de zoveel jaar een nieuwe hond aan een roestige ketting in het veel te kleine hok.

Dat huis waar ik als kind zoveel binnen heb gelopen, liep zelf al jaren op zijn laatste benen. Waar de drempel was uitgesleten door de vele kindervoeten, had de sleet zich langzaam opgezogen in de muren en de spanten. Uitgeleefd en uitgezakt hield het huis zich moedig staande, meer van gewoonte dan uit levenskracht. Elke storm een weerloos ondergaan van de uiterst langzame maar doeltreffende marteling door de beulen regen, wind en tijd.

Dat ongelijk gevecht met de elementen, die wedstrijd met de tijd is nooit te winnen. Het eens zo levendige huis werd lijdend voorwerp, krom getrokken en gegeseld, het lijf vol littekens en de kop vol gaten. Het werd pijnlijk om te zien. En dus werd wat nog restte met zachte hand geëuthanaseerd. De tanden van de kraan beten zich vast in het moegestreden dak. De schuur wankelde als eerste, twijfelde nog even maar sloeg uiteindelijk toch om. Zachtjes ging ook het huis mee neer. Het capituleerde voor de tijd. Eens het zwarte stof was opgetrokken, bleek wat bleef slechts puin, roerloze en levenloze stenen vol verleden, maar zonder iets van toekomst.

Waar op zondag werd gekaart, gedronken en gevloekt, blijft het nu onwezenlijk stil. Geen jenever meer, nooit meer wiezen om een frank en vloeken bij elke foute slag. Alle kaarten zijn gelegd, de flessen leeg. Geen kruisbeeld meer aan de muur en nooit nog kruisjes voor de Lotto. Hier werden levens niet veranderd. Waar in stallen koeien loeiden en zwaluwen huisden, schiet nu het onkruid metershoog en pakken dik. Waar in schuren het hooi werd opgetast, tast ik nu zelf onzeker in het rond. Is dit wat overblijft van hun verleden?

Alleen in mijn gedachten is het huis nog echt. Dan hoor ik weer de stemmen in de keuken en proef de soep die al sinds de ochtend pruttelt op de stoof. Ik ruik nog steeds de geur van het versgebakken brood. Het tintelen van een kroes bruin tafelbier. Het bloot en bloederig konijn met witte sokjes, aan het haakje in de kelder. De krant steeds opengeslagen op de tafel, koffie met speculoos ernaast. De klompen aan de voordeur, blauwe kielen aan de kapstok. Na het werk rusten op de zetel en kijken naar de koers. En als het zaterdagse bad was genomen een handvol brillantine in het haar. De living vol met mensen als weer een nieuw jaar is aangebroken.

Maar het feest is afgelopen, het konijn is opgegeten en de gasten zijn vertrokken. Samen met hen verdwijnen de gedachten. Ook in het huis van mijn herinneringen worden de muren uiteindelijk wankel, vervliegen geuren en vervagen beelden. Eens wordt alles uitgewist.

Want ook wij zullen ooit de strijd verliezen en moe gaan liggen. Ons overgeven aan de tijd waarin alle dromen zijn vervlogen. De stilte na de storm.

Want er zijn geen zwaluwen meer, mijnheer.
Alleen de kraaien kijken krassend toe
hoe slechts leegte rest
en het onkruid welig tiert.

4 thoughts on “Welig tiert het onkruid

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s