Als je jong bent, ben je veel te druk bezig met leven om stil te staan bij de dood. Er is immers nog zo veel te doen en zo veel te ontdekken. Je bent jong en je wil wat, nietwaar. En dus leef je het leven in al zijn volheid. Geen getreuzel, geen gedraal. Nu moet het gebeuren. De jeugd als een periode van sturm und drang waarbij daadkracht en onbezonnenheid een perfecte pas-de-deux dansen.
Dat is waarom ik in mijn jonge jaren heel weinig op kerkhoven kwam. Ik had daar niets te zoeken. Wat een dooie boel zeg. Iedereen ligt daar maar wat metafysisch te liggen. Al wat hen rest is het verleden. Niks om naar uit te kijken, alleen maar terugblikken op wat ooit is geweest. Da’s toch zonde van de tijd? Nee, geef mij maar het leven. Daar zit tenminste toekomst in.
Ergens en cours de route verandert dat. Dan hakt het doodsbesef er genadeloos in. Het besef van je eigen eindigheid. Dat je hier dus niet altijd zal blijven rondlopen. Dat eens je adem stokt, je hart stopt met pompen en je brein stopt met denken. Wanneer dat is valt moeilijk te voorspellen. De ene denkt op zijn eigen sterfbed nog altijd dat het eeuwige leven hem beschoren is. Een ander ziet op elke straathoek een Magere Hein met scherpgeslepen zeis, de benige vingers wellustig wenkend en een bloeddorstige grimlach om de lippenloze mond.
En hoe vreemd. Hoewel ik als jongvolwassene niets had met de dood, fantaseerde ik als kind wel over mijn eigen begrafenis. Ik bedacht dan heelder scenario’s van hoe de in shock verkerende achtergeblevenen in diepe droefenis verzameld rond mijn opgebaarde lichaam afscheid zouden nemen van hun meest dierbaar kind, klasgenootje of vriendje. Iets ouder zijnde beleefde ik ook veel imaginair plezier aan het samenstellen van droefgeestige playlists met de nummers die bij de afscheidsplechtigheid iedereen in tranen toe zouden bewegen.
Je weet het in realiteit echter nooit. Voor hetzelfde geld daagt er niemand op bij je laatste feestje en zijn je overblijvende familieleden, resterende vrienden en vage kennissen maar wat blij eindelijk van die vervelende lastpost af te zijn. Misschien dat ze je zelfs een duwtje in de rug hebben gegeven om die laatste meters tussen zijn en niet zijn gezwind te overbruggen. Je weet het nooit. Ik zou er mijn geld alleszins niet op verwedden. Ik zet liever in op het hier en nu. Het concept van een hiernamaals mag dan voor velen troost bieden, uiteindelijk is het slechts een fantasie als balsem voor de ziel. Dood is dood. Toch?
Denk ik dan nooit aan de doden? Tuurlijk wel! Alleen niet per se op 1 november. Herinneringen laten zich net als verdriet niet in een kalender dwingen. Ze duiken op wanneer ze daar zelf zin in hebben. Op gepaste en ongepaste momenten. Op de trein, tijdens de afwas of zoals nu: starend uit het raam naar de hoge bomen in de verte. Regelmatig wordt ik overvallen door een intense droefheid om zij die er niet meer zijn. Dan denk ik met weemoed aan mijn grootouders die ik niet of nauwelijks heb gekend. Aan de kleinste en wijste van al mijn nonkels die, ondanks alle tegenslagen, het leven toch als een geschenk zag. Aan die ene veel te jong gestorven vriend. Aan mijn eigen vader, mijn nooit geboren kind.
Hoe zei die filosoof en jonge koning van het Nederlandstalige levenslied het ook alweer? Leef, alsof het je laatste dag is. Goed bedoeld hoor van onze smartlapprins, maar nogal fatalistisch als je er even over nadenkt. Ja, toch? Als het écht je laatste dag is en je wéét dat, dan flip je toch volledig? Dan wil je nog zo veel doen op zo’n korte tijd. Maar dat kan simpelweg niet allemaal in één dag en dus blokkeer je volledig. Dan rest er niks anders dan plat op de grond te gaan liggen en lethargisch je tijd af te wachten.
Wat een flauwekul man. Ik zeg: leef alsof het je eerste dag is. Bekijk alles met de verwonderde blik van een pasgeborene. Nieuwsgierig naar het nieuwe. Ga elke uitdaging aan die op je pad komt. Kijk om je heen. Ga op ontdekking. Bewandel onbetreden paden. Zonder haast. Onthecht.
Maar bedenk ook dat je sterfelijk bent. Niemand heeft het eeuwige leven. Dat te weten brengt rust. En dus loop ik nu af en toe wel eens op een kerkhof rond. Maar liever nog dwaal ik door het mentale kerkhof in mijn hoofd. Daar ligt iedereen verzameld aan wie ik graag terugdenk. Het is een vredevolle plek waar ik vaak vertoef. Er staan wat bomen en een bankje. Het is er stil.
En als die laatste dag dan komt, wandel ik er graag naar toe.
Als een rustbrengend punt achter een volmaakte zin.