U kent het wel: eerst gaat alles goed en amper twee tellen later gaat datzelfde alles plots niet meer zo goed.
Of in mijn geval: vorige week leek ineens alles tegelijk stuk te gaan.
De koelkast gaf zonder enige waarschuwing de geest, het dak begon zomaar uit zichzelf te lekken en zowel mijn ego als de auto kregen door een ondoordacht manoeuvre een flinke deuk. En als u ooit zelf een frigorist, dakwerker of garagist hebt ontboden dan wel bezocht, dan weet u: alleen al eens kijken kost stukken van mensen. Kijken is kopen, zag je vroeger wel eens bij een tweedehandszoekertje als mercantiele waarschuwing staan. Dat bleek ook in mijn geval zo te zijn en met een nieuwe frigo, een verse laag roofing en een uitgedeukt ego dacht ik de geblutste week alsnog enigszins positief af te sluiten.
Het zou nog een stuk erger worden. Alsof de week een theaterstuk was met een onverwachte plotwending als dramatische finale. Een koppel dat al een eeuwigheid samen was, ging uit elkaar. Hij kwam het zelf schoorvoetend vertellen. Stukje bij beetje kwam het eruit: het ging al een tijdje niet meer goed. De relatie was al even stuk en de brokken waren niet meer te lijmen. Niemands fout, gewoon een accident de parcours. Maar ook dit schadegeval kost stukken van mensen en geen vakman die dit nog kan repareren.
Dat alles was me even te veel. Ook bij mij sprong iets stuk. Een waarschuwingslampje begon te branden, ergens smolt een zekering door. Alsof het droombeeld dat ik had van een enigszins barmhartig verloop der dingen zelf van zijn voetstuk viel. Een realiteit die in marmer gebeiteld lijkt, bleek plots als een wassen waanbeeld weg te smelten voor een volstrekt willekeurige zonnegod. Schone schijn. Alles gaat goed tot het plots niet meer goed gaat.
Maar deze week is weer alles anders. Ze kan nu al niet meer stuk. De deskundige maar tergend trage handen van de lokale motorfluisteraar kregen na eeuwig en drie dagen mijn defecte motorfiets weer aan de praat. Als een deus ex machina stond hij er plots mee voor mijn deur. Na jaren van onvrijwillige stilstand in eerst een troosteloos tuinhuis en dan een met aftandse rijwielen volgestouwde werkplaats, ronkt mijn bolide weer als nooit te voren. Met elke ruk aan de gashendel brult hij het uit, laat hij van zich horen. Hier ben ik en vooruit is de weg.
Niks gaat goed, tot alles weer beter wordt. De benzine die weer gulzig door de leidingen van mijn Bonnie stroomt, geeft ook mij nieuwe brandstof. Zijn woordeloze boodschap zet me in beweging. Dus snel jas aan, helm op en een stukje rijden. Terwijl een aarzelende herfstzon haar zachte warmte uitstrooit, bol ik over vers asfalt naar nergens in het bijzonder. Ik rij en reis, op de weg en in mijn hoofd. Boldly ga ik waar ik nooit eerder was.
Ik denk over niets en alles tegelijk. Toch zie ik aan de eindeloze einder al de woorden die ik nodig heb. Eerst beitel ik ze één voor één uit het marmer van mijn gedachten. Weer thuis zet ik ze in de juiste volgorde op papier en schrijf een stukje.